Hoe komt de bever de winter door?

4 januari 2018

Bevers houden geen winterslaap, en moeten dus natuurlijk wel eten in deze periode. Daarom begint de bever in noordelijke streken in de herfst al met het aanleggen van een wintervoorraad.

In Nederland is het heel verschillend, sommige bevers leggen nooit een wintervoorraad aan, andere bijna altijd en weer andere zo af en toe. Ze slepen daarbij afgeknaagde zijtakken van bomen en struiken naar hun burcht en bewaren de takken onder water voor de ingang. Als het streng vriest, is er daardoor vlak bij de beverburcht een mooie voorraad voedsel voor handen. Als er geen dikke ijslaag is, dan foerageert de bever in de omgeving op bast en twijgen van bomen en struiken. Hij vult dit aan met wortelstokken van (water)planten van bijvoorbeeld de waterlelie. De bever slaat ook vet op in het weefsel van zijn staart, onderhuids en tussen de organen om de winter door te komen. Het gehalte vet in de staart kan in de winter van ongeveer 10 procent tot wel 50 procent toenemen.

Het zwemmen in de winter is geen probleem. De bevers warmen zich op in de burcht voor ze naar buiten gaan. Ze zwemmen niet lang, ongeveer 15 tot 25 minuten, en warmen zich dan snel weer binnen op. Mocht het water bevriezen dan hebben ze er een extra dagtaak bij. Ze proberen wakken, waaronder die boven de ingang van hun burcht, open te houden. Bevers zijn in staat om door ijsdikten van enkele centimeters heen te breken. Soms doen ze dat door zich vanaf de waterbodem door het ijs naar boven te drukken.


Beverburcht (foto: M. Kaandorp & C. Lange).

Bevriest het water dan toch, dan ontstaat er soms een ruimte tussen het ijs en de waterspiegel als het waterpeil daalt. Dan kan de bever onder het ijs blijven zwemmen. Is deze ruimte er niet dan kunnen ze op bepaalde onderlinge afstanden ademwakken met hun schedel maken. Als het ijs daarvoor te dik wordt, zullen ze gedwongen zijn in hun burcht te blijven.

Tekst: Carli van Mil, Zoogdiervereniging.